Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 mei 2001

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 11 mei 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 mei 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1559.

2.12 Bénetière voert aan dat de in het geding gebrachte verklaringen voldoende bewijs opleveren van de gestelde dringende reden. Hierbij bevindt zich een door [getuige 1] (ten overstaan van een notaris) afgelegde verklaring, waarin hij stelt dat de sollicitatiebrief van [verweerder], waarin melding is gemaakt van ontslag door eigen schuld bij NMB-Bank, vervalst is. In de originele brief stond dit niet en zulks is evenmin door het arbeidsbureau meegedeeld. [Verweerder] heeft deze brief vervalst in de wetenschap dat zijn personeelsdossier bij Errut is verdwenen, aldus [getuige 1]. Ook legt zij een fax over van [betrokkene A] waarin wordt aangegeven dat [verweerder] kort na zijn indiensttreding bij Errut zou hebben gezegd dat hij bij de bank was weggegaan om zijn vrouw te helpen bij haar bedrijf.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/89da68c2eba8cd44e6a93af4a3b93e88e2663f14958ce5648bb1de868200d407. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 89da68c2eba8cd44e6a93af4a3b93e88e2663f14958ce5648bb1de868200d407, en de alinea staat in dat document op bytes 12483 tot 13302.