Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2001

Alinea 70 Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1759.

33. Voorzover de gebezigde bewijsmiddelen telkens inhouden op welke data de aangiftebiljetten door verzoekster zijn ondertekend, klaagt het middel er terecht over dat zij in zoverre niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Op het moment waarop de aangifte onjuist wordt ingevuld kan sprake zijn van het delict van art. 225, eerste lid, Sr, maar nog niet van het delict van art. 68, eerste lid aanhef en onder a (oud), AWR (vgl. Wattèl, Fiscaal straf- en strafprocesrecht, 2e, p. 166). Het niet redengevende gedeelte van de bewijsmiddelen is in het kader van de overige, wel redengevende feiten en omstandigheden bevattende inhoud van de bewijsmiddelen echter van zodanig ondergeschikt belang dat dit een behoorlijke motivering van de bewezenverklaring niet in de weg staat (vgl. HR 23 oktober 1990, DD 91.073; HR 6 oktober 1998, NJ 1998, 912).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c42c83590ef51a6d6dc8549391bc737e7fa1f2b6c8e7986a5a9fac3c46abdcd0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c42c83590ef51a6d6dc8549391bc737e7fa1f2b6c8e7986a5a9fac3c46abdcd0, en de alinea staat in dat document op bytes 25858 tot 26723.