Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2001
Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1761.
22. Weliswaar heeft de omstandigheid dat het hof in hoger beroep heeft geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat op 11 mei 1994 door of namens [A] BV een brief inhoudende een aanvullende aangifte loonbelasting en premie volksverzekeringen over 1993 tot het juiste van ƒ 61.162,- is opgemaakt en verzonden ertoe geleid dat de officier van justitie op grond van het bepaalde in art. 68, derde lid (oud), AWR alsnog niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vervolging over het jaar 1993, maar dat betekent niet dat - achteraf bezien - het openbaar ministerie ten tijde van het nemen van de vervolgingsbeslissing geen rekening had mogen houden met de te betalen loonbelasting en premie volksverzekeringen die in de aangiften over juni 1993 tot en met december 1993 ten onrechte niet waren opgegeven aan de fiscus.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6ec60751c4c7e915f44686b13721170844081b60cb0b80d677e7b564ffa48e73. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6ec60751c4c7e915f44686b13721170844081b60cb0b80d677e7b564ffa48e73, en de alinea staat in dat document op bytes 20521 tot 21353.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6ec60751c4c7e915f44686b13721170844081b60cb0b80d677e7b564ffa48e73 | shasum -a 256