Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 mei 2001

Alinea 95 Parket bij de Hoge Raad 30 mei 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 mei 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1844.

7.3.3. De klager had dat niet gedaan maar had dat, zo maak ik uit het arrest op, wel kunnen doen. Er zijn echter ook gevallen waarin de eis dat de klachten uiterlijk op de zitting naar voren moeten worden gebracht, niet kan worden gesteld. Zijn de gegevens die doen twijfelen aan de onpartijdigheid aan een partij pas na het sluiten van de mondelinge behandeling bekend geworden - en konden deze hem voordien redelijkerwijs ook niet bekend zijn(19) - dan behoort die partij alsnog een verzoek tot wraking te kunnen doen. De grens ligt bij het tijdstip waarop het gerechtshof uitspraak doet.(20) Worden dergelijke gegevens aan een partij pas bekend nadat de uitspraak is gedaan (en konden deze hem voordien redelijkerwijs ook niet bekend zijn), dan behoort die partij de gelegenheid te hebben om in cassatie een klacht in te dienen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/129cc017257172acc924db404d64d13c5467fe46e89671ada01ee71cc974ea10. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 129cc017257172acc924db404d64d13c5467fe46e89671ada01ee71cc974ea10, en de alinea staat in dat document op bytes 29833 tot 30683.