Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2001
Alinea 104 Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1944.
De in de bewezenverklaring omschreven handelingen waaruit de bemiddeling zou hebben bestaan - het aanbrengen van de genoemde personen als cliënten bij [tussenpersoon] en het door die cliënten doen ondertekenen van orderformulieren aan [tussenpersoon] - vallen onder deze omschrijving uit de MvT. Dit gezien in samenhang met hetgeen het hof in de geciteerde overweging verder heeft overwogen omtrent verdachtes handelwijze, maakt dat het oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte] als bemiddelaar zijn opgetreden niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is (vgl. HR NJ 1993, 768, art. 42 WTK (oud). Het middel, dat voor het overige op de selectie en waardering van het bewijs ziet, hetgeen niet tot het terrein van de cassatierechter behoort, faalt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bf139a4f85c7640d32870182fff73fc57fe1abb720a1de37d45a69b1a71a448e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bf139a4f85c7640d32870182fff73fc57fe1abb720a1de37d45a69b1a71a448e, en de alinea staat in dat document op bytes 41693 tot 42488.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bf139a4f85c7640d32870182fff73fc57fe1abb720a1de37d45a69b1a71a448e | shasum -a 256