Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2001

Alinea 53 Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2018.

3.15 De eerste poot (3.13 sub 1) die Jemo onder haar redenering wil schuiven, houd ik mitsdien voor ondeugdelijk. Dat [verweerster] een eigen vorderingsrecht heeft(12) doet daaraan, als gezegd, niet af omdat dit langs de vraag waarop het aankomt heen gaat. Die vraag is - in essentie - of [verweerster] een vordering heeft die zij kan baseren op de arbeidsovereenkomst van haar overleden man of dat zij een vordering moet gronden op art. 6:162 BW (of het daarmee overeenkomende art. 1401 (oud) BW). Ik kom daarmee op de tweede poot van het betoog van Jemo (3.13 sub 2).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6750cc17acebeea050c06b01b81f04fb1a48b2291eaa26c24cde40a95617d29f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6750cc17acebeea050c06b01b81f04fb1a48b2291eaa26c24cde40a95617d29f, en de alinea staat in dat document op bytes 19667 tot 20249.