Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2001

Alinea 112 Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2020.

2 In het algemeen heeft de feitenrechter ten deze een ruime vrijheid: vgl. HR 26 november 1999, NJ 2000, 329; HR 18 maart 1994, NJ 1994, 407 rov. 3.5 laatste alinea; HR 16 november 1984, NJ 1985, 270; HR 21 november 1980, NJ 1981, 101 WHH; HR 24 mei 1957, NJ 1959, 10 DJV. Opmerking verdient nog dat van een procureur als professionele procesvertegenwoordiger mag worden verwacht dat hij - kort gezegd - er zorg voor draagt dat wezenlijke formaliteiten worden vervuld (HR 4 april 1997, NJ 1998, 220 HJS rov. 3.5); zie voorts de aan het arrest voorafgaande conclusie van A-G Asser, met name onder 2.10/11 en 2.17. Ik zou menen dat hetzelfde geldt voor het in geding brengen van concrete en specifieke informatie waarom door de Rechtbank in haar tussenvonnis is verzocht. HR 6 juni 1997, NJ 1998, 723 J.H. Hubben (rov. 3.7) wijst m.i. niet in andere richting omdat daarin van veel belang was dat het ontbrekende stuk gegevens behelsde die recht waren in de zin van art. 99 RO. Zie voorts H.AE. Uniken Venema, Advocatenblad 2000 blz. 3; art. 1.3.4 en art. 2.4.8 lid 3 van het ontwerp herziening van het procesrecht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4cecf11de70d17750773ebf0c259f68a74915ed793acb93172714e51805a8ee0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4cecf11de70d17750773ebf0c259f68a74915ed793acb93172714e51805a8ee0, en de alinea staat in dat document op bytes 34848 tot 35973.