Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2001

Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2060.

In dat licht is de appèlrechter die zich buigt over de vraag of een verdachte ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep, gehouden tot onderzoek naar de vraag of de afstand rechtsgeldig is gedaan indien er aanwijzingen zijn die de conclusie rechtvaardigen dat van een niet rechtsgeldig gedane afstand sprake is. In de zaak die leidde tot het eerder genoemde arrest bestonden die omstandigheden uit het volgende. De verdachte verklaarde ter terechtzitting in hoger beroep - waar hij in het gezelschap van een advocaat was verschenen - dat de politierechter hem op de mogelijkheid van afstand had gewezen en dat hij toen had verklaard dat hij daar over wilde nadenken, waarna hij de zaal van de terechtzitting had verlaten en de volgende dag een rechtsmiddel had ingesteld, zonder dat hij daarover nog overleg had gevoerd met zijn raadsman. Het proces-verbaal van de terechtzitting van eerste aanleg hield in dat verdachte afstand had gedaan. Navraag bij de griffier had uitgewezen dat na afloop van de eigenlijke zitting de raadsman van verdachte aan de politierechter had medegedeeld dat verdachte afstand deed. Onder die omstandigheden had het hof, aldus de Hoge Raad, moeten onderzoeken of de afstand wel rechtsgeldig was gedaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cbedfb9e442e2a577d8e6ddfea9f4d94e736e5a254b5282f322b84fdf6f64d64. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cbedfb9e442e2a577d8e6ddfea9f4d94e736e5a254b5282f322b84fdf6f64d64, en de alinea staat in dat document op bytes 8250 tot 9500.