Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2001

Alinea 20 Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2060.

3.7. Die vraag moet naar mijn mening ontkennend beantwoord worden. Het briefje van de heer Hoppenbrouwers houdt geen enkele aanwijzing in dat de raadsvrouw geheel zelfstandig en zonder overleg met haar cliënt, in strijd met zijn wil, afstand heeft gedaan. De vraag rijst overigens of de advocaat wel bevoegd was na overleg met haar cliënt en met diens instemming afstand te doen; daarover zo dadelijk. Hier wil ik staande houden dat de mededeling van de advocaat zoals weergegeven door de heer Hoppenbrouwers niet anders is te verstaan dan dat de advocaat als beslissing van verdachte heeft medegedeeld dat deze afstand wenste te doen. Het enkele feit dat verzoeker de dag erna toch in hoger beroep is gegaan, maakt naar mijn mening nog niet dat het hof aan de gang van zaken zodanig moest gaan twijfelen dat een nader onderzoek noodzakelijk was. Het feit dat een verdachte alsnog hoger beroep instelt hoewel eerder afstand is gedaan is geen grond de rechtsgeldigheid van de afstand in twijfel te trekken. Ware dat anders dan zou het instituut van de afstand van zijn betekenis worden ontdaan. Het enkel handelen in strijd met een eerder gedane afstand zou die afstand dan immers al opzij kunnen schuiven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cbedfb9e442e2a577d8e6ddfea9f4d94e736e5a254b5282f322b84fdf6f64d64. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cbedfb9e442e2a577d8e6ddfea9f4d94e736e5a254b5282f322b84fdf6f64d64, en de alinea staat in dat document op bytes 10085 tot 11305.