Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2001

Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2064.

Ik meen dat de situatie waarop het zojuist genoemde arrest doelt verschilt van de onderhavige. In deze zaak is de verdediging gevoerd door een advocaat. De advocaat heeft de rechtbank - klaarblijkelijk in overleg met verdachte - gevraagd getuigen op te doen roepen (21 oktober 1997), heeft in aanwezigheid van verdachte op 8 januari 1998 het woord gevoerd, heeft op 19 maart 1998 uitstel gevraagd vanwege de (lichamelijke) toestand van verdachte waarvan de advocaat zich klaarblijkelijk op de hoogte had gesteld, en heeft tenslotte op 11 juni 1998 het woord ter verdediging gevoerd en aan de rechtbank overgelegd een verklaring van psychiaters van het psychiatrisch ziekenhuis Reinier van Arkel, inhoudende dat verdachtes toestand werd gekenmerkt door een psychose tijdens lichamelijke ziekte. De advocaat heeft niet om toepassing van art. 16 Sv of van art. 509a Sv verzocht. Het komt mij voor dat het van beiden één is. Of de advocaat beroept zich vanuit zijn ervaringen met zijn cliënt wél op een van beide bepalingen, waarna de rechter een onderzoek zal kunnen instellen dat ertoe zal kunnen leiden dat aan de advocaat alle bevoegdheden worden toegekend die ook de verdachte heeft, of de advocaat laat zo een verzoek tot toepassing na, waaruit dan valt af te leiden dat op dat moment naar de mening van de advocaat het inroepen van een bijzondere regeling met het oog op de behartiging van de belangen van verdachte niet nodig is. Behoudens zeer sterke aanwijzingen voor het tegendeel zal de rechter zich bij die klaarblijkelijke opvatting hebben neer te leggen. Als art. 509a Sv niet tot toepassing komt zal ervan uit mogen worden gegaan dat zich de toestand van art. 509a Sv, welk artikel ook uitdrukkelijk door de wetgever is voorzien om de belangen van de verdachte met het oog op het instellen van rechtsmiddelen te behartigen, niet voordoet. Zo een standpunt strookt ook met eisen van rechtszekerheid, die nopen tot het zo vroegtijdig mogelijk scheppen van duidelijkheid over de onherroepelijkheid van rechterlijke uitspraken. Als de advocaat tot het oordeel komt dat de geestestoestand van zijn cliënt deze niet toelaat beslissingen te nemen in verband met de rechtszaak die tegen hem dient ligt het op zijn weg die belangenbehartiging te waarborgen door direkt een verzoek tot toepassing van art. 509a Sv te doen bij de rechtervoor wie de zaak dient. Verzuimt de advocaat dat dan is een beroep op die reeds eerder bestaande en kenbare geestestoestand in een later stadium naar mijn oordeel tardief.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/48788decf55b0326e240ade1a485cd3ac351658c06429227ecfccd10052ca171. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 48788decf55b0326e240ade1a485cd3ac351658c06429227ecfccd10052ca171, en de alinea staat in dat document op bytes 18171 tot 20698.