Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2001

Alinea 60 Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2064.

4. Volkomen ten overvloede geef ik nog een gedachte weer over het in cassatie gehanteerde systeem dat feitelijke beweringen van de verdediging die de feitenrechter niet heeft weerlegd geacht moeten worden in het midden te zijn gelaten, waarna de Hoge Raad in zijn beschouwingen van de juistheid van die beweringen pleegt uit te gaan. Ik kan mij voorstellen dat een feitelijk aandoende bewering die evenwel tot de bevoegdheid van een deskundige behoort om de zo-even vermelde status te kunnen verkrijgen gedocumenteerd en verantwoord zal moeten worden. Als een advocaat enkel bijvoorbeeld stelt dat zijn cliënt psychotisch is en daarom geen inzicht heeft in de betekenis van de strafvervolging zal de rechter zo een loutere bewering naast zich neer kunnen leggen door te verwijzen naar het ontbreken van enigerlei onderbouwing zonder deze bewering uitdrukkelijk te behoeven weerleggen. Het ontbreken van zo een weerlegging zou naar mijn mening niet tot gevolg mogen hebben dat in het vervolg van de procedure wél van de juistheid van die beweringen zou mogen worden uitgegaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/48788decf55b0326e240ade1a485cd3ac351658c06429227ecfccd10052ca171. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 48788decf55b0326e240ade1a485cd3ac351658c06429227ecfccd10052ca171, en de alinea staat in dat document op bytes 25861 tot 26951.