Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 juni 2001

Alinea 56 Parket bij de Hoge Raad 15 juni 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2174.

2.10 Blijkens rechtsoverweging 5.6 in samenhang met rechtsoverweging 5.7 heeft de rechtbank kennelijk de volgende redenering voor ogen heeft gestaan. Ter beantwoording van de vraag of WE door de brief van 11 juni 1997 tijdig op de hoogte is geraakt van de voortzetting, dient naar analogie(5) van art. 94 Rv. te worden getoetst of WE door de gang van zaken in haar verdediging is benadeeld. Daarvan is slechts sprake indien het gebrek van dien aard is dat de gedaagde dientengevolge wordt bemoeilijkt in het verweer dat hij in het geding wil voeren. Gelegenheid daartoe heeft de kantonrechter echter (achteraf) geboden door een comparitie te gelasten en WE een akte te laten nemen. Op deze wijze heeft WE voldoende gelegenheid gehad haar zaak te doen bepleiten en kan niet worden gezegd dat zij in haar verdediging is geschaad.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1cd7e3701897efc25586167cbfedccebf494778d0b52d34a08b925b973bd1406. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1cd7e3701897efc25586167cbfedccebf494778d0b52d34a08b925b973bd1406, en de alinea staat in dat document op bytes 18763 tot 19604.