Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2001

Alinea 16 Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2245.

9. Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die van de terechtzitting moet een termijn van tenminste tien dagen verlopen (art. 413, eerste lid, Sv in verband met artt. 425 en 426a, eerste lid, Sv). Nu deze dagvaardingstermijn niet in acht is genomen, de verdachte niet is verschenen - in de toelichting op het middel staat dat hij niet is verschenen omdat hij de dagvaarding niet had ontvangen - en evenmin toestemming heeft gegeven tot verkorting van de genoemde termijn, had de rechter het onderzoek moeten schorsen en de verdachte moeten oproepen (art. 265, derde lid, Sv; HR 18 september 1995, DD 96.023). Het verzuim dit te doen leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak (HR 10 april 2000, nr. 2170/00 rov. 3.).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e7780835803ceedc0a6f4adfd314c92634c2f0153c1d58c794f06648914fde32. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e7780835803ceedc0a6f4adfd314c92634c2f0153c1d58c794f06648914fde32, en de alinea staat in dat document op bytes 6023 tot 6844.