Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2001

Alinea 17 Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2248.

6. In het onderhavige geval zou het openbaar ministerie, indien het er in zou moeten berusten dat tegen het afwijzen van de ontnemingsvordering geen cassatie kan worden ingesteld omdat aan die beslissing, op zichzelf beschouwd, geen onjuiste maatstaf ten grondslag is gelegd, moeten ervaren dat de ontnemingsvordering definitief van de baan is, ook indien de Hoge Raad vervolgens oordeelt dat het openbaar ministerie in de strafzaak op onjuiste of ontoereikende grond niet-ontvankelijk is verklaard. Het afwijzen van de vordering zou onherroepelijk blijven, en een nieuwe vordering zal, gelet op de in art. 511b, eerste lid, Sv gestelde termijn, niet gedaan kunnen worden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0a6a5ccd0c7033aefa066d0ad5bcdf0fe5fb73fd1a520d11b9581f0a08f9924f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0a6a5ccd0c7033aefa066d0ad5bcdf0fe5fb73fd1a520d11b9581f0a08f9924f, en de alinea staat in dat document op bytes 7897 tot 8582.