Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2001

Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2248.

7. Met het nodige voorbehoud zou men dit cassatieberoep kunnen vergelijken met de zaak die heeft geleid tot arresten van de Hoge Raad van 29 april 1997, griffienrs 104.705 en 104.706 P (het laatste is gepubliceerd in JOW 1997, 113). Die zijn gewezen op door de veroordeelde ingestelde cassatieberoepen tegen een arrest waarbij hij wegens verschillende misdrijven tot straf was veroordeeld, en tegen een arrest waarbij hem een ontnemingsmaatregel was opgelegd. Tegen de ontnemingsuitspraak was namens de veroordeelde aangevoerd dat art. 36e Sr en de art. 511e en 511f Sv waren geschonden omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet het behalen van een wederrechtelijk voordeel kon worden afgeleid, aangezien die bewijsmiddelen (ook) niet een toereikende grondslag voor de bewezenverklaring in de strafzaak konden vormen. De Hoge Raad vernietigde inderdaad het arrest in de strafzaak wegens de ongenoegzame onderbouwing van de bewezenverklaring van enkele misdrijven. Naar aanleiding van het middel in de ontnemingszaak werd overwogen:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0a6a5ccd0c7033aefa066d0ad5bcdf0fe5fb73fd1a520d11b9581f0a08f9924f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0a6a5ccd0c7033aefa066d0ad5bcdf0fe5fb73fd1a520d11b9581f0a08f9924f, en de alinea staat in dat document op bytes 8602 tot 9647.