Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2001

Alinea 23 Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2248.

9. Desondanks stel ik in het nu te beoordelen geval voor om, anders dan wordt betoogd in de schriftuur waarbij de middelen zijn weersproken, de door de Advocaat-Generaal bij het Hof opgeworpen klacht aan te merken als een middel dat voldoet aan de daaraan ingevolge art. 437 Sv in verband met art. 99 RO te stellen eisen (en hem derhalve in dit cassatieberoep ontvankelijk te achten). Het middel zal aldus verstaan kunnen worden dat de vordering weliswaar met toepasssing van een juiste maatstaf is afgewezen, maar de bestreden beslissing desalniettemin op onjuiste gronden berust, nu er een in de strafzaak bereikt oordeel in is geïncorporeerd dat hetzij getuigt van een verkeerde rechtsopvatting, hetzij onvoldoende met redenen omkleed is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0a6a5ccd0c7033aefa066d0ad5bcdf0fe5fb73fd1a520d11b9581f0a08f9924f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0a6a5ccd0c7033aefa066d0ad5bcdf0fe5fb73fd1a520d11b9581f0a08f9924f, en de alinea staat in dat document op bytes 10985 tot 11740.