Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2001
Alinea 128 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2314.
5.17 In deze jurisprudentie lijkt zich een onderscheid af te tekenen tussen enerzijds situaties waarin de fiscus gebruik wil maken (hetzij voor de heffing, hetzij voor de beboeting) van bewijsmateriaal dat is verkregen bij gewone controle (tijdens een niet op repressie, maar op een juiste belastingheffing gericht onderzoek) waarbij de wet of beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden, en anderzijds situaties waarin de fiscus gebruik wil maken (hetzij voor de heffing, hetzij voor de beboeting) van bewijsmateriaal dat in de strafrechtelijke sfeer (dus door een opsporingsinstantie, en met repressieve bedoelingen) onrechtmatig is verkregen. Bij "onbevoegdelijke" verkrijging in de controlesfeer is de belastingrechter strenger voor de fiscus dan bij onrechtmatige verkrijging in de opsporingssfeer. Waar het gaat om bewijs, afkomstig uit de gewone controlesfeer, dus met heffingsbedoelingen, is de maatstaf voor toelaatbaarheid het zorgvuldigheidsbeginsel: de fiscus dient met open vizier - zonder stiekem gedoe, zonder pettenwisseltrucs en zonder onnodig achter de rug van de gecontroleerde om te werken - zijn controlewerkzaamheden te verrichten indien er (nog) geen aanleiding is om aan te nemen dat de belanghebbende niet zou willen meewerken aan een controle of dat het informeren van de belanghebbende het doel van de controle in gevaar zou kunnen brengen. In beginsel moet de belanghebbende geïnformeerd worden omtrent het controlevoornemen en moet hem minstens éénmaal de kans geboden worden om zelf de door de fiscus gewenste informatie te verstrekken. Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel kan reeds tot uitsluiting van het materiaal leiden. Waar het gaat om bewijs, afkomstig uit een opsporings(achtig)onderzoek, dus met repressieve bedoelingen verkregen, is het materiaal daarentegen kennelijk alleen dan ontoelaatbaar indien het is verkregen "op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht" (HR 1 juli 1992, BNB 1992/306). Deze formulering is overigens tautologisch (het materiaal is ontoelaatbaar als het op zodanig ontoelaatbare wijze is verkregen dat het ontoelaatbaar is), maar de gedachte is duidelijk: de opsporende overheid moet zich een overheid onwaardig gedragen hebben voordat het materiaal onbruikbaar is voor belastingheffing en beboeting. De belastingrechter laat zelfs strafvorderlijk onrechtmatig verkregen bewijs in de belasting- en boeteprocedure toe dat door de strafrechter ontoelaatbaar verklaard is wegens die onrechtmatigheid. De conclusie kan getrokken worden dat in de strafrechtelijke sfeer onrechtmatig verkregen materiaal slechts dan niet toegelaten wordt voor doeleinden van belastingheffing en bestuurlijke beboeting indien de optredende ambtenaren niet te goeder trouw bezig waren (hun bevoegdheden misbruikten of bewust overschreden).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dff35c35b4928a6720543f101f2728a6517bbd8b5f540a4906df2d0985490125. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dff35c35b4928a6720543f101f2728a6517bbd8b5f540a4906df2d0985490125, en de alinea staat in dat document op bytes 59605 tot 62550.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dff35c35b4928a6720543f101f2728a6517bbd8b5f540a4906df2d0985490125 | shasum -a 256