Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2001

Alinea 137 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2314.

5.20 Deze laatste opvatting is, gezien de genoemde paragrafen uit de Fayed(18) en Saunders(19)-arresten van het EHRM, ook de opvatting van het Hof. Niet aannemelijk is dus dat dat Hof snel bewijsmateriaal voor boetedoeleinden zal diskwalificeren dat verkregen is met op zichzelf correcte (in elk geval mede op heffing gerichte) uitoefening van de vorderingsbevoegdheden ex art. 47 e.v. AWR jegens de potentiële boeteling. Niettemin blijkt uit het Saunders-arrest (zie het citaat in 5.13) dat verklaringen die met controlebevoegdheden van de belanghebbende zijn afgedwongen onbruikbaar kunnen in een straf(achtige) procedure als het gebruik ervan de positie van de belanghebbende in die procedure zou ondermijnen doordat hij in feite zijn verklaringsvrijheid kwijt is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dff35c35b4928a6720543f101f2728a6517bbd8b5f540a4906df2d0985490125. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dff35c35b4928a6720543f101f2728a6517bbd8b5f540a4906df2d0985490125, en de alinea staat in dat document op bytes 66866 tot 67648.