Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2001

Alinea 140 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2314.

5.23 Het wordt tijd om terug te keren naar onze belanghebbende. Uit het bovenstaande blijkt dat hij zijn medewerking aan het onderzoek niet sanctieloos kon weigeren voor zover het ging om de vaststelling van de enkelvoudige belasting, tenzij de fiscus het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden zou hebben. Zelfs voor zover het tijdens het onderzoek mogelijk (mede) ging om informatiegaring voor de boete-oplegging, kon de belanghebbende niet sanctieloos weigeren de gevraagde documenten ter inzage te verstrekken. Wel kon hij sanctieloos weigeren een verklaring af te leggen over de contante stortingen voor zover de vraag daarnaar niet gericht was op de belastingheffing, maar op de beboeting. Zoals betoogd, is informatie voor de belastingheffing en informatie voor de beboeting in een geval als het onderhavige echter niet te (onder)scheiden zonder in zelfs voor juristen zeer ijle hoogten van wereldvreemde nuance en subtiliteit te geraken. De belanghebbende moest mijns inziens dus medewerken (aan de vaststelling van zijn belastingschuld), tenzij de fiscus ofwel het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden zou hebben, ofwel - al dan niet door de gestelde détournement de pouvoir - zo zeer in strijd gehandeld zou hebben met hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het aldus verkregen bewijs toch ontoelaatbaar zou zijn. De bewijslast ter zake rustte op de belanghebbende. In 's Hofs oordeel ligt besloten dat het Hof de belanghebbende in dat bewijs niet geslaagd acht, met name niet in het aannemelijk maken van de stelling dat de informatievordering van de fiscus er uitsluitend of voornamelijk op gericht was om belanghebbendes proces- althans bewijspositie te beschadigen (voor beboetingsdoeleinden is dat trouwens ook onmogelijk, omdat de omkering van de bewijslast niet voor de boete geldt; zie 5.24). Dat oordeel is verweven met feitenwaardering en is niet onbegrijpelijk. Ook belanghebbendes stelling dat het gevorderde fiscaal niet van belang zou zijn, heeft het Hof kunnen verwerpen. Voor wat betreft de enkelvoudige belasting heeft het Hof dan ook kunnen oordelen dat, gezien de informatieweigering, de verzwaarde bewijslast van art. 29 (oud) AWR ter zake van de onjuistheid van de naheffingsaanslag op de belanghebbende rustte, wat er zij van 's Hofs oordeel omtrent de consequenties van het ontbreken van een aparte kasadministratie in verband met art. 34 en 36 Wet OB.(20)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dff35c35b4928a6720543f101f2728a6517bbd8b5f540a4906df2d0985490125. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dff35c35b4928a6720543f101f2728a6517bbd8b5f540a4906df2d0985490125, en de alinea staat in dat document op bytes 68219 tot 70648.