Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2001
Alinea 78 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2314.
4.8 De aanzegging van een boete en de mededeling van de gronden waarop zij berust (zie thans art. 67k AWR), wordt in elk geval aangemerkt als een moment waarop de belastingplichtige boete-oplegging mag vrezen. Maar ook (echt) strafvorderlijke handelingen kunnen een charge voor boetedoeleinden opleveren, zoals de opening van een gerechtelijk vooronderzoek (g.v.o.), weliswaar op verzoek van Openbaar Ministerie, maar in samenwerking met de belastingdienst (zie HR 6 mei 1998, BNB 1998/275 m.nt. M.W.C. Feteris), of - zoals bleek - de aanhouding voor verhoor door de Fiod.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dff35c35b4928a6720543f101f2728a6517bbd8b5f540a4906df2d0985490125. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dff35c35b4928a6720543f101f2728a6517bbd8b5f540a4906df2d0985490125, en de alinea staat in dat document op bytes 29526 tot 30112.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dff35c35b4928a6720543f101f2728a6517bbd8b5f540a4906df2d0985490125 | shasum -a 256