Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2001

Alinea 99 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2314.

5.8 Dat ligt anders met de door de fiscus van de belanghebbende gevorderde verklaring voor de contante stortingen op zijn bankrekeningen. Zo'n verklaring moet uit de mond (of de pen, althans uit het bewustzijn) van de belanghebbende komen en zij bestaat dus niet onafhankelijk van zijn wil. Voldoening aan de vordering vereist actieve medewerking. Op dit punt is er van de belanghebbende onder sanctiebedreiging (nl. omkering van de bewijslast en strafvervolging wegens overtreding van (thans) art. 69, lid 1, juncto art. 68, lid 2, onderdeel a, AWR) een antwoord op een vraag gevorderd. Voor zover de belanghebbende op het moment van die vordering charged was with a criminal offence, gold zijn zwijgrecht en mag met zijn zwijgen geen rekening te zijnen nadele gehouden worden bij de beoordeling van de boete-oplegging of bij een "echte" strafvervolging.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dff35c35b4928a6720543f101f2728a6517bbd8b5f540a4906df2d0985490125. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dff35c35b4928a6720543f101f2728a6517bbd8b5f540a4906df2d0985490125, en de alinea staat in dat document op bytes 44696 tot 45564.