Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2001

Alinea 116 Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2371.

2.26 In de memorie van antwoord(52) wordt een nadere beschouwing gewijd aan de plaats en functie van het tuchtrecht in het algemeen en dat voor advocaten in het bijzonder. Gesteld wordt dat de handhaving van het wettelijk tuchtrecht voor vertrouwensberoepen het openbaar belang dient bij een goede uitoefening daarvan. De versterking van de positie van de klager, zoals die in het wetsontwerp haar neerslag heeft gekregen (onder andere doordat aan de klager een recht op hoger beroep bij het Hof van Discipline wordt toegekend) berust niet primair op de overweging dat de klager aldus beter genoegdoening kan krijgen. Zij strekt vooral ertoe de handhaving van door het openbaar belang geïnspireerde materiële gedragsregels te verbeteren. Het tuchtrecht moet niet worden gebruikt voor de handhaving van interne groepsregels en afspraken waarbij het openbaar belang niet in het geding is. Het moet ook niet worden ontwikkeld tot een rechtsgang waarin wordt geoordeeld over de privaatrechtelijke verhoudingen tussen de beroepsbeoefenaren en hun cliënten. Het Hof van Discipline heeft dan ook niet de bevoegdheid te oordelen over de privaatrechtelijke verhouding tussen de advocaat en zijn cliënten.(53)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6a5f13b832a24c47ebac57cd95e6ec940305c610511b54e5b34cebb01f0328f4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6a5f13b832a24c47ebac57cd95e6ec940305c610511b54e5b34cebb01f0328f4, en de alinea staat in dat document op bytes 43898 tot 45115.