Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2001
Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2376.
2.8 In het onderhavige geval had de vrouw in eerste aanleg uitvoerig betoogd dat er reden bestond om te twijfelen aan de stellingen van de man over de financiële mislukking van de Poolse onderneming. De rechtbank heeft dit verweer in rov. 4.4 van haar beschikking als juist aanvaard. Onder deze omstandigheden ben ik mét de steller van het subonderdeel van mening dat, ondanks hetgeen onder 2.6 werd vooropgesteld, het hof niet zonder enige motivering de gegrondheid van de tegen dat oordeel aangevoerde (impliciete) grief mocht aannemen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/71ce1d8430fead5a42d3740989f0f4b3708215a9958e9378929b2dba02490e64. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 71ce1d8430fead5a42d3740989f0f4b3708215a9958e9378929b2dba02490e64, en de alinea staat in dat document op bytes 17488 tot 18041.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/71ce1d8430fead5a42d3740989f0f4b3708215a9958e9378929b2dba02490e64 | shasum -a 256