Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2001

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2435.

De vraag of de registratie van een kopie van een originele onderhandse akte kan worden aangemerkt als de registratie van een onderhandse akte wordt in cassatie voor het eerst opgeworpen. Kan zij worden behandeld? Het gaat om een stelling van de curator van zuiver juridische aard (zodat zij geen onderzoek van feitelijke aard noodzakelijk maakt) die, als zij juist zou zijn, zonder uitzonderingen zou gelden, terwijl daarvoor voldoende grondslag is te vinden in de bestreden uitspraak. In die zin is geen sprake van een ongeoorloofd novum. Zie Veegens/Korthals Altes & Groen (1989), nrs. 126-127. Maar vereist is ook dat de kwestie valt binnen de grenzen van de rechtsstrijd of, als dat niet zo is, dat het een vraag van openbare orde betreft. Ervan uitgaande dat de geldigheidsvraag niet in de grieven aan de orde is gesteld, ben ik geneigd te menen dat de klacht niet kan worden behandeld, omdat het hier - weliswaar een voorschrift van dwingend recht, maar - niet een vraag van openbare orde betreft. Zie Veegens/Korthals Altes & Groen (1989), nrs. 128-129, Snijders/Wendels, Civiel appel (1999), nr. 259. Toch zal ik de vraag ten overvloede behandelen en ik wil Uw Raad in overweging geven hetzelfde te doen, omdat de praktijk, nu de vraag eenmaal is gesteld, groot belang heeft bij de beantwoording ervan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d5c130fb094d93f1c73e796f3d11adae7a2cc57f0dab532abc5fad420258ef48. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d5c130fb094d93f1c73e796f3d11adae7a2cc57f0dab532abc5fad420258ef48, en de alinea staat in dat document op bytes 19987 tot 21320.