Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2001

Alinea 65 Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2435.

Ten overvloede merk ik op dat ik de klacht tegen de andere beslissing in r.o. 4.10 gegrond zou achten, indien het hof zou hebben beslist wat het middel in het arrest leest. Het hof zou dan hebben beslist dat de bank ondanks de veronderstelde nietigheid van de verpandingen de geïnde betalingen mocht behouden, voor zover die betalingen niet een hoger bedrag beliepen dan haar vordering op de schuldenaar (Kuron); omdat zij alleen het meerdere aan Kuron moest afdragen en zij dat heeft gedaan, zou de curator geen belang hebben bij zijn grief. Het middel voert daartegen terecht aan dat indien de verpandingen nietig zouden zijn, de bank al hetgeen zij van die vorderingen heeft geïnd, aan de curator zou moeten afdragen. Zij zou zich dan immers niet als pandhoudster op die bedragen kunnen verhalen en zich evenmin op verrekening mogen beroepen; zie HR 17 febr. 1995, NJ 1996, 471 m.nt. WMK (r.o. 3.5.2).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d5c130fb094d93f1c73e796f3d11adae7a2cc57f0dab532abc5fad420258ef48. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d5c130fb094d93f1c73e796f3d11adae7a2cc57f0dab532abc5fad420258ef48, en de alinea staat in dat document op bytes 37204 tot 38123.