Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 november 2001
Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 2 november 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 november 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2733.
Ik meen dat het hof, nu het de overweging in de tweede volzin van r.o. 4.8 heeft toespitst op [eiser], heeft bedoeld te overwegen dat in dit geval het ontbreken van goede trouw bij [eiser] betekent dat hem geen beroep op art. 7 lid 2 Uitvoeringsbesluit toekwam, en dus dat sprake was van grove schuld of van opzet. Dat het hof, onder de omstandigheden dat [eiser] de aangifte had verzorgd en de aangifte niet overeenstemde met de boeken, heeft geconcludeerd dat [eiser] geen beroep op art. 7 lid 2 Uitvoeringsbesluit toekwam - en daarmee dat diens opzet of grove schuld vaststond - is niet onbegrijpelijk. Het middel faalt dus, omdat het uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest van het hof.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a2ed3c3cdc3061a19d6d207cdc64a311647615c4b62f1fde33131388e04fb94a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a2ed3c3cdc3061a19d6d207cdc64a311647615c4b62f1fde33131388e04fb94a, en de alinea staat in dat document op bytes 21140 tot 21850.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a2ed3c3cdc3061a19d6d207cdc64a311647615c4b62f1fde33131388e04fb94a | shasum -a 256