Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2001

Alinea 52 Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2741.

3.16.1 Ik kom aldus op - wat ik beschouw als - de kern van het verwijzingsarrest: Uw Raad laat er geen twijfel over bestaan dat matiging in casu in beginsel voor de hand ligt. Zulks op grond van de gedachte dat - kort gezegd - in de rede ligt dat wordt gematigd in gevallen waarin een algemene boete van 10% van de contractsom wordt gesteld op allerhande tekortkomingen. Hieraan ligt ongetwijfeld de gedachte ten grondslag dat partijen, als het tegendeel niet uitdrukkelijk blijkt, niet kúnnen hebben bedoeld dat de gehele boete ook wordt verbeurd voor relatief futiele tekortkomingen. Een dergelijk oordeel kan, om cassatietechnische redenen, evenwel moeilijk worden gegeven wanneer de feitenrechter heeft geoordeeld dat de "boete verschuldigd is bij elke tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, daaronder begrepen een tekortkoming die grond geeft voor algehele ontbinding van de overeenkomst, waarop het bedrag van de boete (10% van de koopsom) lijkt te zijn afgestemd" (rov. 4.4).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/073e809df81b88cea61241853c41e931cbb17cc7afda1877f7cde9190b80d9cf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 073e809df81b88cea61241853c41e931cbb17cc7afda1877f7cde9190b80d9cf, en de alinea staat in dat document op bytes 18249 tot 19255.