Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2001

Alinea 76 Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2741.

2 Zie nader Asser-Hartkamp I (2000) nr 401. Nieuwenhuis betoogt in zijn NJ-noot (sub 5) dat er iets lijkt te wringen in het arrest. Zoals hij zelf ook aangeeft, doet die situatie zich m.i. niet voor. Het is allerminst ongewoon dat partijen schijnbaar iets zijn overeengekomen, maar dat de schijn bedriegt omdat zij kennelijk aan een bepaalde situatie niet hebben gedacht. Zo'n geval doet zich voor wanneer - zoals de Hoge Raad, in mijn parafrase, aangeeft - zeer voor de hand ligt dat een bepaald beding moeilijk letterlijk zo kan zijn bedoeld als het er staat. Voor de cassatierechter ontstaat dan een cassatietechnisch probleem wanneer het middel niet op die kwestie inhaakt. Enig kunst- en vliegwerk kan dan nodig zijn om een billijk resultaat te bereiken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/073e809df81b88cea61241853c41e931cbb17cc7afda1877f7cde9190b80d9cf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 073e809df81b88cea61241853c41e931cbb17cc7afda1877f7cde9190b80d9cf, en de alinea staat in dat document op bytes 25682 tot 26454.