Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 oktober 2001

Alinea 69 Parket bij de Hoge Raad 12 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2783.

2.13.1 De klacht van cassatiemiddel 26 luidt dat het hof heeft nagelaten te beslissen op het verzoek van de vader zijn zoon [betrokkene A] te benoemen tot voogd over de kinderen. Deze klacht faalt bij gebrek aan belang. Bij de beschikking waarbij de vader van het gezag is ontheven, is de stichting benoemd tot voogdes over de kinderen. Ingevolge art. 1:281, eerste lid, kan - in andere gevallen dan die welke worden bestreken door a en b van dat lid en die hier niet aan de orde zijn- de voogdij alleen op de gronden genoemd in de art. 299a of 302, vierde lid aan een andere voogd worden opgedragen. Art. 1:299a betreft voogdijverzoek van de pleegouders en is derhalve niet van toepassing. Art. 302, vierde lid betreft het geval dat de met de voogdij belaste rechtspersoon door fusie of splitsing ophoudt te bestaan, welk geval zich hier niet voordoet, zodat ook deze bepaling toepassing mist. De vader had derhalve in zijn verzoek de zoon te benoemen tot voogd over de kinderen niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bb16ea183e9345a42426e5f6f4a6babb3fbe130f618ddedb3beb03c142c7b3fe. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bb16ea183e9345a42426e5f6f4a6babb3fbe130f618ddedb3beb03c142c7b3fe, en de alinea staat in dat document op bytes 23326 tot 24364.