Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2001

Alinea 67 Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2875.

23. Nu de wetgever heeft voorzien in een bijzondere overgangsregeling zal die moeten worden toegepast, ook al zou dat tot een uitkomst voeren die op gespannen voet staat met het tweede lid van art. 1 Sr. Er kan, dunkt mij, weinig verschil van inzicht over bestaan dat de thans in art. 69, eerste lid, AWR opgenomen strafbaarstelling voor een verdachte gunstiger is dan de strafbaarstelling die voorheen te vinden was in art. 68, eerste lid onder a en tweede lid (OUD) AWR. De wetgever heeft, zoals hierboven (onder 12) opgemerkt, nadrukkelijk beoogd aan de in het huidige art. 69 AWR opgenomen delictsomschrijvingen een beperkter bereik te geven dan de overeenkomstige delictsomschrijvingen voordien hadden. Er is continuïteit in de gedragingen die tot strafoplegging kunnen voeren (afgezien van het anders dan opzettelijk niet, niet tijdig, of inhoudelijk onjuist doen van aangifte, dat voorheen wel, maar thans niet meer strafbaar is), maar de voor strafbaarheid vereiste bijkomende omstandigheden zijn aan engere grenzen gebonden. Daarin kan men een gewijzigd inzicht van de wetgever (in voor de verdachte gunstige zin) ten aanzien van de strafbaarheid van het feit zien, vgl. HR NJ 1996, 503.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0febea14ab9836675e2e3781d7d1337f49bdb489a9dd5ff2b554104109389f0f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0febea14ab9836675e2e3781d7d1337f49bdb489a9dd5ff2b554104109389f0f, en de alinea staat in dat document op bytes 28735 tot 29945.