Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2001

Alinea 71 Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2875.

26. De gedachte zou kunnen rijzen dat het niet bijster bevredigend is dat de wetgever zich, wat het overgangsrecht ten aanzien van bovengenoemde Wetten betreft, van de aanvankelijk hooggestemde en principiële overwegingen ten aanzien van de wenselijkheid verdachte belastingplichtigen niet alleen te behoeden voor de toepassing van voor hen bezwaarlijker bepalingen dan bestonden ten tijde van het begaan van het fiscale vergrijp, maar hen ook aanstonds te laten profiteren van voor hen gunstiger bepalingen, heeft gedistantieerd met geen ander argument (hoe praktisch het ook kan zijn) dat het heffings- en inningsproces, afhankelijk als dat is van geautomatiseerde systemen, niet voor complicaties gesteld moet worden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0febea14ab9836675e2e3781d7d1337f49bdb489a9dd5ff2b554104109389f0f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0febea14ab9836675e2e3781d7d1337f49bdb489a9dd5ff2b554104109389f0f, en de alinea staat in dat document op bytes 31067 tot 31802.