Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001
Alinea 21 Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB3244.
Voor wat betreft het ander 2 bewezenverklaarde feit hebben [betrokkene D] e.v. [betrokkene E] en [betrokkene F] een verklaring afgelegd tegenover de politie op basis van een met hen gehouden enkelvoudige spiegelconfrontatie. De getuige [betrokkene D] heeft aldaar verklaard dat zij niet met 100% zekerheid kan zeggen dat de persoon met wie zij werd geconfronteerd de dader is, doch dat hij er erg veel op lijkt. De getuige [betrokkene F] heeft tegenover de politie verklaard dat zij de persoon met wie zij werd geconfronteerd vaar 75% herkende. Bij haar verhoor in hoger beroep heeft deze getuige haar verklaring nader toegelicht waarbij zij heeft verklaard dat zij bij de eerste confrontatie met 100% zekerheid de betreffende persoon herkende als de dader, doch dat zij nadien door een politieman weer aan het twijfelen is gebracht en toen het herkenningspercentage heeft teruggebracht tot 75. Gelet op de verklaring van de getuige-deskundige Van Amelsfoort dat een betrouwbare herkenning een herkenning is die onmiddellijk na de confrontatie optreedt en deze getuige met grote stelligheid in hoger beroep heeft verklaard dat zij bij de eerste aanblik van de man deze voor 100% heeft herkend (en nadien aan het twijfelen is gebracht) acht het hof deze herkenning betrouwbaar. Daar komt bij dat deze verklaring, alsmede de verklaring van [betrokkene D], worden ondersteund door het feit dat de bij de politie binnengekomen melding met betrekking tot dit feit plaatsvond 29 minuten na de melding met betrekking tot het derde feit -waarbij de verdachte niet was geslaagd in zijn opzet- en dat de plaatsen waar beide overvallen plaatsvonden in elkaars (directe) nabijheid en in de nabijheid van de plaats waar de verdachte toen woonde, zijn gelegen, terwijl de in beide zaken opgegeven signalementen op belangrijke punten overeenkomen en in beide zaken gebruik is gemaakt van een pistool, althans een daarop gelijkend voorwerp. Onder deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, gevoegd bij de bij de verdachte in zijn woning op 3 februari 1999 aangetroffen spullen, is in redelijkheid uit te sluiten dat de feiten onder 3 en 2 bewezenverklaard door verschillende personen zouden zijn gepleegd, hetgeen tot de conclusie leidt dat de verdachte buiten enige redelijke twijfel als als pleger van het onder 2 bewezenverklaarde feit moet worden aangemerkt en dat de daaromtrent afgelegde verklaringen van [betrokkene D] en [betrokkene F] als betrouwbaar en bruikbaar kunnen worden aangemerkt."
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba962fac5cc57838774777a3bbd142b142cf87b2e71f1d8d9f4f75a7062d447e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba962fac5cc57838774777a3bbd142b142cf87b2e71f1d8d9f4f75a7062d447e, en de alinea staat in dat document op bytes 11845 tot 14350.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ba962fac5cc57838774777a3bbd142b142cf87b2e71f1d8d9f4f75a7062d447e | shasum -a 256