Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001
Alinea 44 Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB3244.
Overigens merk ik nog op dat zelfs indien er als recht in de zin van art. 99 RO te beschouwen richtlijnen op het stuk van de confrontaties van verdachten met getuigen zouden zijn, de feitenrechter nog geenszins verplicht zou zijn aan iedere (in die richtlijnen niet met zoveel woorden voorziene) afwijking daarvan de consequentie te verbinden dat de uitkomsten van de - niet of niet geheel rechtmatig te achten - confrontatie niet tot het bewijs mogen meewerken. Of die consequentie getrokken zou moeten worden zou (als steeds indien er in het vooronderzoek een onrechtmatigheid te bespeuren is) afhankelijk zijn van de ernst van de onrechtmatigheid en van de belangen van de verdachte, voor zover daardoor gekrenkt, en de waardering daarvan zou aan de rechter voorbehouden blijven.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba962fac5cc57838774777a3bbd142b142cf87b2e71f1d8d9f4f75a7062d447e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba962fac5cc57838774777a3bbd142b142cf87b2e71f1d8d9f4f75a7062d447e, en de alinea staat in dat document op bytes 24924 tot 25720.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ba962fac5cc57838774777a3bbd142b142cf87b2e71f1d8d9f4f75a7062d447e | shasum -a 256