Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 september 2001

Alinea 14 Parket bij de Hoge Raad 18 september 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 september 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD3530.

Na [het slachtoffer] uit haar bed te hebben gehaald, is de dader naar een achter de woning gelegen pad waarlangs een sloot loopt gegaan en heeft de dader het kind in de sloot gelegd (of op het steil aflopende talud waarna het kind in de sloot is terechtgekomen), waardoor het kind is verdronken. Een getuige heeft omstreeks die tijd en kort voor de ouders weer bij de woning aankwamen een vrouw zien lopen die, gezien de richting waarin zij liep, moet zijn gekomen uit het steegje dat toegang gaf tot de rij huizen waarvan de woning van [het slachtoffer] er één was en tot het achter die huizen gelegen pad, waar het kind in de sloot lag. Die vrouw moet volgens het hof de dader zijn, omdat die steeg de enige uitweg is van genoemd pad.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d263a212f9a3051bcefbc0b1dd8e786401e5c57057f261e71244b1c84a3b516a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d263a212f9a3051bcefbc0b1dd8e786401e5c57057f261e71244b1c84a3b516a, en de alinea staat in dat document op bytes 6306 tot 7058.