Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 oktober 2001

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 12 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD3973.

11. De door het middel verdedigde opvatting komt mij onjuist voor. Zij miskent dat, evenals bij commissiedelicten, de lex loci delicti-regel niet afstemt op omstandigheden betreffende de persoon van de dader en evenmin op omstandigheden betreffende de persoon van de benadeelde, maar op de plaats van de daad, in dit geval het (achterwege blijven van het) verlenen van toestemming door de broers [...] aan de ABN-AMRO Bank om tot afgifte van de tegoeden aan de kinderen [...] over te gaan. Waar in het algemeen geldt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt, is onjuist noch onbegrijpelijk dat het Hof niet de woon- of verblijfplaats van de broers [...], maar de plaats van vestiging van de ABN-AMRO Bank, degene tot wie de verklaring tot het verlenen van toestemming tot afgifte van de tegoeden aan de kinderen [...] moet of had moeten worden gericht, heeft aangemerkt als de locus delicti.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cd3a1761cff103d3d8652861d24ea5104bf93c4885ce63e67ed995a7e8b4694c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cd3a1761cff103d3d8652861d24ea5104bf93c4885ce63e67ed995a7e8b4694c, en de alinea staat in dat document op bytes 15037 tot 16013.