Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 november 2001

Alinea 14 Parket bij de Hoge Raad 6 november 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 november 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD4322.

6. Vooropgesteld zal moeten worden dat de eis betreffende de bepaaldheid van het feit waarvan iemand smadelijk wordt beschuldigd niet hetzelfde inhoudt als de eisen die in art. 261 van het Wetboek van Strafvordering worden gesteld aan een door het openbaar ministerie uit te brengen tenlastelegging. Dit ligt voor de hand. Een tenlastelegging dient zodanig te zijn ingericht dat de verdachte (de door het openbaar ministerie beschuldigde) zich in alle opzichten doeltreffend kan verweren. De smadelijke uitlating ontleent haar strafbare karakter (uitgaande boven eenvoudige belediging) aan de mate waarin de beschuldiging door degene die haar onder ogen krijgt ernstig genomen zal worden. Door te verlangen dat de beschuldiging een bepaald feit betreft heeft de wetgever zich kennelijk laten leiden door de gedachte dat een vage beschuldiging, die niet verder gaat dan het aan iemand toedichten van kwalijke eigenschappen of, in algemene zin, een dubieuze levenswandel, in de regel niet voldoende serieus genomen zal worden om een verdergaande strafbaarheid te doen ontstaan dan (mogelijk) wegens (enkelvoudige) belediging.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/18a4841d2fb043ac683fde373f38cf9f6e8e2f15e49b8effcad0f22cc3f11bca. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 18a4841d2fb043ac683fde373f38cf9f6e8e2f15e49b8effcad0f22cc3f11bca, en de alinea staat in dat document op bytes 6032 tot 7168.