Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Alinea 21 Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD4366.

3.7. Een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM dient volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, behoudens bijzondere gevallen, tot strafvermindering te leiden.(4) Tussen het betekenen van de inleidende dagvaarding en de conversiebeslissing van het Gerechtshof ligt een periode van iets meer dan twee jaren en vijf maanden. Ook al zou een deel van dit tijdsverloop voor rekening van justitie dienen te komen dan nog is mijns inziens de redelijke termijn tot het arrest van het hof niet overschreden. Wel is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden doordat de stukken door het hof te laat zijn ingezonden; ik meen dat er geen onderscheid is te maken tussen de situatie waarin het hof zelf een eindarrest wijst en de situatie waarin het hof tot conversie van het ingestelde rechtsmiddel komt. De vraag die nu beantwoording verdient is of toch niet het totale tijdsverloop dat met de zaak gemoeid is zodanig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c4e1ee5f75361c037e2c6dc5ab34cae4c5cf17d69d4f49c9620141b1ceb7de66. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c4e1ee5f75361c037e2c6dc5ab34cae4c5cf17d69d4f49c9620141b1ceb7de66, en de alinea staat in dat document op bytes 11415 tot 12428.