Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD4366.

In de onderhavige zaak laat het zich aanzien dat ook tussen de betekening van de inleidende dagvaarding en het door de Hoge Raad te wijzen arrest ruim viereneenhalf jaar zal verstrijken. Weliswaar zijn in eerdergenoemde zaak drie rechterlijke instanties ten gronde in de zaak gemoeid geweest, maar in wezen doet zich hetzelfde in de onderhavige zaak voor. Als een niet onbelangrijk deel van het tijdsverloop sinds het betekenen van de inleidende dagvaarding voor rekening van verzoeker komt, die een verkeerd rechtsmiddel heeft doen instellen, zie ik niet in waarom in deze zaak niet met strafvermindering zou kunnen worden volstaan. Als de helft van het tijdsverloop tussen het instellen van het verkeerde rechtsmiddel en de conversiebeslissing van het hof voor rekening van verzoeker moet blijven zou dat betekenen dat van de behandeling van de zaak tot en met cassatie drieëneenhalf jaar op het conto van justitie kan worden geschreven. Dat is voor een behandeling in drie instanties zeker niet overdreven lang, ook al heeft een der instanties enkel het ingestelde rechtsmiddel geconverteerd. Ik kom tot de slotsom dat de redelijke termijn is overschreden maar niet zodanig dat zulks moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c4e1ee5f75361c037e2c6dc5ab34cae4c5cf17d69d4f49c9620141b1ceb7de66. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c4e1ee5f75361c037e2c6dc5ab34cae4c5cf17d69d4f49c9620141b1ceb7de66, en de alinea staat in dat document op bytes 14289 tot 15556.