Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Alinea 23 Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD4383.

14. Het was beter geweest indien het proces-verbaal van de terechtzitting over deze beslissing van het hof en de reden daarvan meer duidelijkheid had verschaft dan via de nu gehanteerde omweg van de verklaring van de getuige is geschied. Dat neemt niet weg dat het proces-verbaal voldoende informatie bevat om te kunnen vaststellen dat het middel niet opgaat. De mededeling van de voorzitter moet gezien worden in relatie met hetgeen kort daarna geschiedt, het beletten van vragen over een niet relevant onderwerp. Kennelijk was het hof van oordeel dat de ondervraging van de getuige door de raadsman op niet relevante kwesties betrekking kreeg en heeft het hof daarom, teneinde de vraagstelling tot naar het oordeel van het hof relevante kwesties te kunnen beperken, bepaald dat de vragen via de voorzitter dienden te worden gesteld. Vanwege deze relatie met het bepaalde in art. 293 Sv is de beslissing van het hof op zich niet in strijd met het in art. 292 Sv aan de verdediging toegekende ondervragingsrecht. Nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat de raadsman tegen deze gang van zaken bezwaar heeft gemaakt, behoefde het hof deze beslissing niet nader te motiveren (HR 17 oktober 1989, DD 90.079).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8d6eff299ba7fc361168fa120b527aadef25e6fc8ca5e287ab6c8d5516d5e0fe. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8d6eff299ba7fc361168fa120b527aadef25e6fc8ca5e287ab6c8d5516d5e0fe, en de alinea staat in dat document op bytes 10501 tot 11741.