Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD4383.

15. De klacht dat sprake is van een ontoelaatbare beperking van het in art. 6, lid 3, onder d EVRM toegekende ondervragingsrecht treft dan ook geen doel. Nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat de verdediging bezwaar heeft gemaakt tegen de beslissing van het hof dat de ondervraging verder via de voorzitter moest verlopen of tegen het niet kunnen stellen van bepaalde vragen (dat de raadsman daarvan akte vroeg, wil niet zeggen dat hij het daarmee niet eens was. Hiermee werd immers ook bereikt dat in het proces-verbaal van de terechtzitting kwam te staan dat bepaalde vragen volgens het hof niet relevant waren), is er immers geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat de verdediging door deze gang van zaken daadwerkelijk is bemoeilijkt. Evenmin blijkt van enige inbreuk op het beginsel van equality of arms. Dat zou pas het geval zijn, indien de advocaat generaal niet belemmerd zou worden in het stellen van (volgens het hof) niet relevante vragen. Daarvan blijkt niets uit het proces-verbaal van de terechtzitting en als dat volgens de verdediging zich wel heeft voorgedaan, was de terechtzitting in hoger beroep in eerste instantie de plaats om tegen de gang van zaken op dit punt bezwaar te maken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8d6eff299ba7fc361168fa120b527aadef25e6fc8ca5e287ab6c8d5516d5e0fe. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8d6eff299ba7fc361168fa120b527aadef25e6fc8ca5e287ab6c8d5516d5e0fe, en de alinea staat in dat document op bytes 11761 tot 13018.