Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 oktober 2001

Alinea 166 Parket bij de Hoge Raad 19 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD4709.

19 Zie bijvoorbeeld Asser-Hartkamp 4-I (2000), nr. 264; maar zie ook Streefkerk, Mon. Nieuw BW B32b, p. 22-23 (en de voorbeelden aan het slot van nr. 12); Oosterveen, Tekst en Commentaar boeken 6, 7 en 8 (2001), art. 6:52, aant. 3. Zie voor de overeenkomstige regel wanneer de verhindering aan de kant van de debiteur tegen wie opschorting wordt ingeroepen berust op overmacht, Asser-Hartkamp 4-I, nr. 354. Ik merk op dat bij het eerder al genoemde arrest HR 6 juni 1997, NJ 1998, 128 m.nt. PAS, voor een geval van huur en verhuur van woonruimte is aangenomen, dat voor een beroep van de huurder op het opschortingsrecht (en ook voor een vordering tot ontbinding), gebaseerd op een gebrek van de gehuurde zaak dat het genot daarvan (grotendeels) verhindert, in het algemeen nodig is dat de huurder van het gebrek mededeling aan de verhuurder heeft gedaan. Ik meen echter dat die regel geen opgeld kan doen in een geval als het onderhavige, waarin de verhuurde zaak onder de verhuurder blijft berusten en de huurder daarover niet rechtstreeks kan beschikken. (Ook) daarom acht ik onderdeel 3 sub b) van het incidentele middel ongegrond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2a9508afce2bda59c6c9134cce4033c49751448116d4f47d00ef2710d29efd13. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2a9508afce2bda59c6c9134cce4033c49751448116d4f47d00ef2710d29efd13, en de alinea staat in dat document op bytes 80950 tot 82098.