Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 oktober 2001

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 23 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD4727.

In de zaken Lala en Pelladoah (EHRM 22 september 1994, NJ 1994, 773) heeft het EHRM geoordeeld dat het feit dat de verdachte, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet ter terechtzitting is verschenen, niet rechtvaardigt dat hem uitsluitend om deze reden zijn recht op rechtsbijstand wordt onthouden. Volgens het EHRM dient de advocaat die aanwezig is met de kennelijke bedoeling om de verdediging te voeren, daartoe te worden toegelaten. Door deze uitspraken is een einde gekomen aan de jurisprudentie volgens welke de raadsman alleen het woord werd verleend bij afwezigheid van de verdachte in het geval dat er klemmende redenen voor diens niet verschijnen op de terechtzitting door de zittingsrechter werden aangenomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d298033c4aa61851e74204d0ed9091566194e2d3a61a3ab28618f12b2d7870fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d298033c4aa61851e74204d0ed9091566194e2d3a61a3ab28618f12b2d7870fd, en de alinea staat in dat document op bytes 17023 tot 17752.