Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 oktober 2001
Alinea 72 Parket bij de Hoge Raad 23 oktober 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD4727.
5.5. De consequenties van de door de raadsman genoemde arresten in de zaken Lala en Pelladoah zijn reeds in de memorie van toelichting bij de voorgestelde regeling besproken (Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 692, nr. 3, blz. 12-14). Aangenomen al dat de uitspraken van het EHRM in deze zaken erop zouden wijzen dat de raadsman zijn afwezige cliënt volledig moet kunnen verdedigen, ook als deze er bewust voor kiest niet ter terechtzitting te verschijnen, hetgeen niet zonder meer vaststaat omdat het toen geldende Nederlandse recht niet de mogelijkheid kende om een raadsman uitdrukkelijk te machtigen tot het voeren van de verdediging en derhalve ook in die situatie niet zonder meer kan worden gesproken van een "misplaatste formalistische voorwaarde", heeft de wetgever bij de toetsing van die regeling het primaat. Het primaat van de wetgever is een van de grondregels van de democratische rechtsstaat. De rechter zal daarom als uitgangspunt moeten aanhouden dat die keuze wordt geëerbiedigd. Indien de raadsman ook zonder uitdrukkelijke machtiging de volledige verdediging zou mogen voeren, zou het bepaalde in artikel 279, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering praktisch zinledig zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d298033c4aa61851e74204d0ed9091566194e2d3a61a3ab28618f12b2d7870fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d298033c4aa61851e74204d0ed9091566194e2d3a61a3ab28618f12b2d7870fd, en de alinea staat in dat document op bytes 33642 tot 34866.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d298033c4aa61851e74204d0ed9091566194e2d3a61a3ab28618f12b2d7870fd | shasum -a 256