Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 december 2001

Alinea 53 Parket bij de Hoge Raad 7 december 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 december 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD4930.

12) In het verlengde van wat ik zojuist betoogde zal het niet verbazen, dat ik ook het subsidiaire argument van onderdeel A van het middel onderschrijf: het argument dat erop neer komt dat, voorzover de nieuwe stellingen die bij de mondelinge behandeling in appel aan de orde zijn gekomen al als deugdelijk ten processe aan de orde gesteld mochten worden aangemerkt, het hof er toch rekening mee had moeten houden dat de vrouw de gelegenheid moest krijgen om zich daartegen adequaat te verweren. Ik meen dat dat voor de beide aspecten van de zaak die de behoefte van de vrouw betreffen, aan de orde was - dus zowel bij de vraag of de vrouw een relevante verdiencapaciteit heeft, als bij de vraag of bij de bepaling van de behoefte rekening mag worden gehouden met de (beweerdelijk te royale) levensstandaard die de partijen in de jaren kort voor de scheiding in praktijk hadden gebracht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/10fa512636c76bcfe0de6f6ae26a3f4b9c97ab71ed95dd6314ce35faf119df16. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 10fa512636c76bcfe0de6f6ae26a3f4b9c97ab71ed95dd6314ce35faf119df16, en de alinea staat in dat document op bytes 16866 tot 17767.