Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 december 2001
Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 14 december 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 december 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD4933.
14. De regeling van art. 480 e.v. Rv strekt ertoe te komen tot een rangregeling aan de hand waarvan de executieopbrengst kan worden verdeeld onder de gerechtigden. Tot degenen die om zo'n rangregeling kunnen verzoeken behoren allereerst zij die door middel van het leggen van beslag te kennen hebben gegeven dat zij zich wensen te verhalen op de opbrengst. De beperkt gerechtigden behoeven voor het uitoefenen van hun recht evenwel geen beslag te leggen. Beperkt genotsgerechtigden hebben slechts onder bepaalde omstandigheden belang bij het meedelen in de opbrengst (art. 3:282 BW), terwijl voor beperkt gerechtigden met een zekerheidsrecht geldt dat zij geen beslag behoeven te leggen, omdat zij het recht van parate executie hebben. Zie nader H.A.G. Fikkers, Verdeling van de executie-opbrengst, in: Vademecum Burgerlijk Procesrecht, Executie en Beslag (2001), blz. 261 e.v.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/65d668d2987e45fda8a605dca31f1d1046300c2e7f2129bdb683cbf75581db87. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 65d668d2987e45fda8a605dca31f1d1046300c2e7f2129bdb683cbf75581db87, en de alinea staat in dat document op bytes 20671 tot 21561.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/65d668d2987e45fda8a605dca31f1d1046300c2e7f2129bdb683cbf75581db87 | shasum -a 256