Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD5149.

Mij komt het voor dat voldaan is aan het vereiste van een 'aanbod', respectievelijk 'instemming' van de verdachte, gesteld in art. 22c, eerste lid, Sr onderscheidenlijk art. 22d, vierde lid, Sr, zoals die bepalingen luidden ten tijde van het wijzen van de bestreden uitspraak, indien een raadsman namens diens ter terechtzitting verschenen cliënt verzoekt om in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf - zo deze passend geoordeeld zou worden - onbetaalde arbeid ten algemene nutte op te leggen, ook indien de verdachte zelf dat verzoek niet herhaalt. Zolang de verdachte niet ter terechtzitting een ander standpunt inneemt - en daarvan blijkt in de onderhavige zaak niet - kan er vanuit worden gegaan dat de raadsman zich van de bereidheid van zijn cliënt tot het ondergaan van die straf heeft vergewist.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f78e8a28ba1cf8b5f077b145439dc8caa40685909b23058b0a629a8cdbe3c06f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f78e8a28ba1cf8b5f077b145439dc8caa40685909b23058b0a629a8cdbe3c06f, en de alinea staat in dat document op bytes 6632 tot 7461.