Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 december 2001

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 4 december 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 december 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD5208.

12. Het in art. 450, eerste lid onder a, Sv opgenomen voorschrift is helder: de advocaat zal er zeker van moeten zijn dat zijn cliënt hem verzoekt het rechtsmiddel in te stellen. Niettemin meen ik dat er rekening mee gehouden moet worden dat de naleving van dit voorschrift een advocaat nog tot interpretatie noopt, waarbij hij te rade zal moeten gaan bij gedragsregels die binnen de advocatuur gelden. Zo doet zich de vraag voor of de advocaat van zijn cliënt persoonlijk moet vernemen dat deze zich van het rechtsmiddel wenst te voorzien, of dat de advocaat dit ook op gezag van derden mag aannemen; derden die (anders dan de advocaat) met de verdachte in contact staan, maar wellicht ook derden (bloed- of aanverwanten of vrienden) die zich de belangen van de verdachte aantrekken zonder op dat moment de verdachte te kunnen bereiken. Ik heb de indruk dat men er binnen de advocatuur over het algemeen vanuit gaat dat het in deze context met een behoorlijke taakvervulling verenigbaar is indien een advocaat instructies opvolgt die hem namens zijn cliënt door intermediairs worden gegeven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/64a2d6da1a4a19793f1e32afa10b83c7c769946a83c37f61c258acc85889ef12. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 64a2d6da1a4a19793f1e32afa10b83c7c769946a83c37f61c258acc85889ef12, en de alinea staat in dat document op bytes 15467 tot 16575.