Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 december 2001

Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 21 december 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 december 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD5352.

Het is dan aan de rechter die eindvonnis wijst om de aldus gerelateerde indrukken van de getuige naar waarde te schatten, al dan niet met behulp van vermoedens, mede aan de hand van de indruk die de getuige en de door deze afgelegde verklaring op hem heeft gemaakt (art. 212 Rv), de verdere omstandigheden van het geval en hetgeen dienaangaande naar algemene ervaringsgegevens gebruikelijk is. Door deze ruime opvatting wordt de praktijk gediend omdat het in het maatschappelijk verkeer veelvuldig voorkomt - in bepaalde sectoren bestaande gebruiken daargelaten - dat partijen die in onderhandeling zijn over het sluiten van een overeenkomst, hun overeenstemming niet bereiken in de vorm van uitdrukkelijke wilsverklaringen, maar doordat zij al gevend en nemend een netwerk van onderling vervloch-ten afspraken maken op zodanig essentiële punten en met een zodanige consistentie dat daardoor bij eventuele getuigen de indruk kan groeien en ten slotte ontstaan, dat partijen het met elkaar eens zijn geworden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3c8a7188276c5d3579e5657a2acdb9d91430aca0df7ed42731383cac43ccc31e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3c8a7188276c5d3579e5657a2acdb9d91430aca0df7ed42731383cac43ccc31e, en de alinea staat in dat document op bytes 17053 tot 18076.