Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 december 2001

Alinea 30 Parket bij de Hoge Raad 7 december 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 december 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD5357.

2.4 De aanhangers van de zogenoemde Leugnungstheorie beschouwen zo'n verweer als de betwisting van het fundament van de vordering.(8) De onvoorwaardelijkheid van de verbintenis (en daarmee de opeisbaarheid van de vordering) is in deze visie onderdeel van het door de schuldeiser te bewijzen feitencomplex. De schuldenaar dient de aanwezigheid van een voldoende concrete voorwaarde te stellen en de schuldeiser de onvoorwaardelijkheid van de verbintenis, dan wel de vervulling van de gestelde opschortende voorwaarde.(9)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fabfde3f810ede5eee8a46a7b78c8426b7e7691966b2099a83fcac681402b63a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fabfde3f810ede5eee8a46a7b78c8426b7e7691966b2099a83fcac681402b63a, en de alinea staat in dat document op bytes 14108 tot 14641.