Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 november 2001

Alinea 13 Parket bij de Hoge Raad 13 november 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 november 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD5455.

8. Ik meen dat die laatste oplossing in deze zaak niet behoeft te worden gekozen. De zaak kenmerkt zich hierdoor dat de vervolging een aanvang heeft genomen op een tijdstip waarop [de betrokkene] nog deel uitmaakte van de Rechtbank te Maastricht. Als de spoed waarmee een deel van het onderzoek moest worden uitgevoerd, niet anders had vereist, zou voorafgaand aan die vervolging een ander gerecht zijn aangewezen. Indien de Hoge Raad geen ander gerecht aanwijst, zal de vervolging van [de betrokkene] voor de Rechtbank te Maastricht in ieder geval in zoverre - ook naar de letter - voor zijn Rechtbank plaats vinden dat deze een aanvang nam toen hij daarvan nog deel uitmaakte. In die omstandigheden zou een vervolging voor een ander gerecht meer overeenstemmen met de strekking van art. 510 Sv dan vervolging in Maastricht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7ef871f373941f7e953f7e07290c5410fc8e77b2e3c8d9179313c1315c4d1a18. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7ef871f373941f7e953f7e07290c5410fc8e77b2e3c8d9179313c1315c4d1a18, en de alinea staat in dat document op bytes 8817 tot 9656.